Geschiedenis van de gracht

De stadswijk Maredorp was ooit een stukje Hollands weidelandschap, dat door rechte slootjes werd doorsneden. Het gebied werd in 1355 toegevoegd aan de oude stad door de aanleg van de Oude Vest. Dat gebeurde vooral om veiligheidsredenen. De Vestwal lag op de plaats waar nu de percelen van de huizen van de Oude Vest liggen. Direct achter de wallen liep de binnenvestsloot. Bij de Vollersgracht lag die ter hoogte van het huidige perceel Vollersgracht 2/2a.
Maredorp behield nog lange tijd een agrarisch karakter. Langs de slootjes ontstond bebouwing. De slootjes zijn later gedempt, maar een aantal zijn nog steeds herkenbaar in het stratenpatroon: Van der Werfstraat, Mirakelsteeg, Vollersgracht, Paradijssteeg. Andere stegen zijn direct als straat aangelegd. De Lange Bouwelouwensteeg, de Janvossensteeg, de Koddesteeg en de Mirakelsteeg kwamen midden tussen de kavelsloten te lopen.
Pas in de 15e eeuw kwam het gebied goed tot ontwikkeling. Bij de Vollersgracht, toen nog ‘Donkere Gracht’, kwamen twee kloosters: Schagen of St. Catharina en Abcoude of Sint Maria. Het klooster Schagen was gesitueerd op het huidige Runderplein. Het terrein van het Klooster Abcoude lag aan het andere einde van de van de Vollersgracht en werd begrensd door de binnen­vest­sloot. Beide waren tertiarissenkloosters. Omstreeks 1400 werden opmerkelijk veel vrouwenkloosters gesticht. Of er altijd sprake was van religieuze motieven is niet zeker. Het is denkbaar dat dergelijke gemeenschappen bescherming boden voor een leven dat niet (langer) gebonden was aan een man.
Het klooster Schagen bestond al voor 1437. Het Klooster Abcoude dateert van 1429. De straatjes werden aangelegd in het midden van de 15e eeuw toen er behoefte ontstond om kloosters en industrieën een verbinding te geven met de hoofdstraat (de huidige Haarlemmerstraat).
De Paradijsgracht heeft gelopen op de plaats waar nu de tuinen van de Grevenstraat liggen, in het verlengde van het nog bestaande stukje Paradijssteeg tussen de Van der Werfstraat en de Haarlemmerstraat. Het gebied van de Grevenstraat en de Druckerstraat is in de jaren dertig overhoopgehaald, waardoor het oorspronkelijke stratenplan verdwenen is.
De kloosters werden na het Leids Ontzet (1574) door het stadsbestuur in eigendom verworven en gesloopt. Het kloosterterrein van Schagen werd in 1578 in gebruik genomen als Beestenmarkt. De grond van Abcoude werd in 1579 tot raamland bestemd. Er heerste grote woningnood en veel vrijgekomen terreinen van kloosters werden bebouwd met woningen. In 1588 werd het raamland van het voormalige klooster Abcoude voor woningbouw uitgegeven en in datzelfde jaar werd ook een deel van de veemarkt afgeknabbeld voor de bouw van huizen. In 1594 gebeurde dat nog een keer. In 1615 werd het overgebleven terrein ook bebouwd en de veemarkt werd verplaatst naar de Beestenmarkt, die nog steeds die naam draagt.

De vollersbedrijven
Op de plaats van het smalle huizenblok tussen Vollersgracht en Schagensteeg (vroeger Kleine Beestenmarkt) kwamen vollersbedrijven.
Eén van de verwerkings­methoden van de wolindustrie was het vollen: het spoelen en daardoor vervilten van wol. Dit was een vervuilende industrie. Al rond 1400 vaardigde het stadsbestuur richtlijnen uit om de vervuiling te beperken, maar het haalde allemaal weinig uit. Aan het eind van de 16e eeuw was de stank in het gebied rond de Donkere Gracht zo ondraaglijk geworden, dat de bekende Secretaris Jan van Hout vond dat er moest worden ingegrepen. De volmolens werden beperkt tot drie grachten aan de rand van de toenmalige stad: de Paradijsgracht, de Mirakelgracht en de Donkere Gracht, die daardoor van naam veranderde en Volmolengracht ging heten.
Om de vervuiling van de grachten te beperken werd een waterverversingsplan gemaakt, bestaande uit waterkeringen rondom genoemde grachten en een watermolen die het vervuilde water uit het gebied weg moest pompen. Deze Stadswatermolen (een zogenaamde rosmolen op paardenkracht) werd in 1596 voltooid en stond achter de stadswallen op de plaats waar de Volmolen­gracht in de Oude Vest uitkwam. Het gebouw stond over de gracht heen, dus op wat nu de straat is, en pompte het water via een duiker onder de stadswallen door. Het gebouw is te zien op de kaart van Pieter Bas uit het jaar 1600.
Een onderdeel van het plan was de verbreding van de gracht aan de westzijde (de kant van de Janvossensteeg). Ook werd daar een straat aangelegd. De grond aan die kant was grotendeels eigendom van de gemeente. Het was het terrein van de voormalige kloosters Abcoude en Schagen. Daartussen lag nog wel het terrein van Dirc Pieterszoon Vougen, waarop een huis stond. Dit moest verplaatst worden naar de nieuwe rooilijn. De verbreding van de gracht werd op 3 augustus 1592 uitbesteed en aangenomen door Lenert Michelsz. De breedte van de gracht werd verdubbeld en de diepte werd op 7 voet gebracht. Op 26 augustus werd het werk opgeleverd. Het verplaatsen van het huis van Dirc Vougen werd eveneens aanbesteed. Dirc Vougen was zelf metselaar en hij kreeg de klus op 17 augustus 1592. De duiker onder de vestwal en de vestgracht was een stenen koker van 4,5 voet hoog (1.35 m) en 2 voet (60 cm) breed. Hij lag op een diepte van 4,5 voet onder de waterlijn.
Op 17 januari 1596 werd met de stalhouder van de rosmolen overeengekomen dat hij driemaal per week gedurende de zomer en tweemaal per week gedurende de winter het gebied zou leegpompen en verversen.
Al gauw bleek dat dit systeem niet voldeed aan de verwachtingen. Op 8 augustus 1596 werden de moeilijkheden besproken op een vergadering in de burgemeesterskamer. Door het bemalen werd de aarde achter de beschoeiingen weggespoeld. Men overwoog om de oude toestand te herstellen. Een andere mogelijkheid was het verplaatsen van de vervuilende industrieën naar de buitenzijde van de vestgracht.
In 1611 werd besloten tot een stadsuitbreiding tot de huidige Maresingel. De aarden wal aan de Oude Vest werd gevlakt en in bouwpercelen uitgegeven en er kwam de huizenrij aan de Oude Vest zoals we die nu kennen. De volmolens werden uiteindelijk verplaatst naar de overkant van de Oude Vest. Dit is nog te zien aan de naam ‘Volmolengracht’. Het vervuilde water werd voortaan verder de stad uitgepompt, naar de ‘Slaeghsloot’ op de grens van de ambachten Leiderdorp en Oegstgeest.

De demping
De Vollersgracht werd gedempt in 1861. In die tijd werden meer Leidse grachten gedempt. De Van der Werfstraat ontstond door de demping van de Maredorpse Achtergracht.

De visbanken
Vanaf 1907 werd aan de Vollersgracht een vismarkt gehouden. Daarvoor werden stenen banken en ijzeren overkappingen gebouwd. In 1938 werd door de gemeenteraad besloten om de banken en de overkappingen af te breken. Sinds een aantal jaren werd er maar weinig gebruik meer van gemaakt en door de toename van het autoverkeer stonden deze bouwwerken in de weg. zie ook